Rupsje Nooitgenoeg

Joris Verhoof

In mijn werk als belastingadviseur werk ik graag met beelden. Want beelden zeggen meer dan woorden. Geen ellenlange memo’s dus, maar liever pakkende presentaties waarin door middel van beelden bijvoorbeeld de huidige ondernemingsstructuur, de beoogde structuur en de daartoe te nemen stappen worden weergegeven. Ook in de vele presentaties die ik in de afgelopen jaren heb mogen verzorgen, werk ik graag met beelden. De ervaring leert ook dat informatie die gedeeld wordt via beeld of beeldspraak beter beklijft. Vandaar dat ik informatie die ikzelf op wil slaan, vaak vertaal naar beelden.

Zo ook de recente informatie naar aanleiding van het tijdens Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplan. Waar ik een aantal jaren geleden nog een presentatie hield over het Belastingplan van dat jaar (2013) aan de hand van het Sprookjesbos van de Efteling (‘Knibbel Knabbel Knuisje, wie zit er aan mijn huisje’) – omdat mij dat beeld als eerste te binnenschoot in verband met de vele kleine, pietepeuterige maatregelen die allen tezamen genomen toch best wat impact hadden – schoot mij dit jaar het kinderboek van Eric Carle door het hoofd: ‘Rupsje Nooitgenoeg’. Dat boek gaat over een rupsje dat altijd honger heeft. En dat is precies het gevoel dat mij bij het lezen van de diverse kabinetsplannen bekruipt: is het nou nooit genoeg?

SNODE PLANNEN

Laat ik u meenemen in de snode plannen die het kabinet voor ons allen (en dan met name de dga’s onder ons) in petto heeft, en oordeel zelf.

Tegenwoordig is niet alleen Prinsjesdag bepalend voor de fiscale wet- en regelgeving die komen gaat; gedurende het jaar worden er diverse proefballonnetjes opgelaten en evenzovele wetsvoorstellen gepresenteerd. Door alles in één voorstel te gieten ontstaat het gevaar dat het gehele voorstel wordt afgeschoten. Door het opknippen in meerdere voorstellen, is de slagingskans groter en ontstaat er tevens wisselgeld om te onderhandelen. Zo kan het gebeuren dat het Belastingplan 2020 voornamelijk veel kleinere maatregelen bevat en het echte vuurwerk verpakt zit in een tweetal andere voorstellen.

Rupsje

EXCESSIEF LENEN EIGEN VENNOOTSCHAP

Allereerst het wetsvoorstel ‘Excessief lenen eigen vennootschap’ waarin het lenen van de eigen BV wordt bestraft op het moment dat dit ‘excessieve’ vormen aanneemt. Kennelijk betekent excessief meer dan € 500.000 en eigenwoningleningen worden hierbij gespaard. In de praktijk is het zeer gebruikelijk dat in privé beleggingsvastgoed wordt aangeschaft en dat de koopsom wordt gefinancierd vanuit de eigen BV. Of dat de dga in kwestie een bedrag leent van zijn BV om dit te vervolgens door te lenen aan één van zijn kinderen ter financiering van de eigen woning van dat kind. De BV maakt een mooi rendement op de door haar beheerde en opgespaarde gelden en ook in privé kan doorgaans nog een leuk voordeeltje worden behaald indien het geld in privé meer oplevert dan de rentelasten die aan de BV moeten worden betaald. We spreken dan van een klassieke win-win situatie. En zolang het lenen van de BV geschiedt tegen zakelijke voorwaarden, komt er niemand iets te kort. Zou je denken…

Het wetsvoorstel is in het voorjaar gepresenteerd. Vervolgens hebben belanghebbenden tijdens een zogeheten internetconsultatie hun mening over het voorstel mogen geven en is het vervolgens wachten op een definitief wetsvoorstel. In tegenstelling tot hetgeen men verwachtte, is het wetsvoorstel niet tijdens Prinsjesdag gepresenteerd maar is aangekondigd dat we het ergens in het vierde kwartaal van dit jaar mogen verwachten. Los van het feit dat het een vreemde regeling betreft (waarom immers als BV wel geld zonder enig rendement direct op een spaarrekening mogen zetten en niet indirect via de dga een mooi rendement maken op een lening ten behoeve van een beleggingsobject), is ook de timing ronduit vervelend. Een manier om de dans te ontspringen is het doen van dividenduitkeringen waardoor de schuld aan de BV onder het grensbedrag van € 500.000 uitkomt. De regeling gaat volgens de plannen pas op 1 januari 2022 in. Tijd genoeg dus zou je zeggen? Dat klopt.

Echter, zoals wellicht bekend, bedraagt het tarief voor het doen van dividenduitkeringen door de eigen BV momenteel nog 25%. In 2020 wordt dit verhoogd naar 26,25% en in 2021 naar 26,9%. Langer wachten met het doen van de – onvermijdelijke – dividenduitkering kost de dga dus extra geld. Het had de wetgever gesierd als het wetsvoorstel tijdig was gepresenteerd zodat dga’s ook tijdig zouden kunnen acteren. Nu is het vooral gissen naar hoe de regeling er exact uit komt te zien.

Vanuit de praktijk wordt bijvoorbeeld de wens uitgesproken om te komen met een (tijdelijke) vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond waarvan in privé gehouden beleggingsobjecten zonder heffing overgedragen zouden kunnen worden aan de BV. Dit ter aflossing van de bestaande schulden. Een dergelijke, tijdelijke vrijstelling is al eens eerder toegepast. maar ook hiervoor geldt dat het tijd kost om zaken goed voor te bereiden en de gevolgen te overzien. Je mag de dga’s dan ook niet laten bungelen en zaken uit blijven stellen. De regeling ‘an sich’ is al vervelend genoeg voor veel dga’s. Waarom dan de beslissing uitstellen en de dga’s hierdoor mogelijk confronteren met extra belastingheffing?

Rupsje

AANPASSING BELASTINGHEFFING OVER SPAREN EN BELEGGEN (BOX 3)

Een ander voorstel betreft de aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen (box 3). Ook weer gegoten in een apart wetsvoorstel. In de voorgestelde regeling (die met ingang van 1 januari 2022 het licht moet zien), wordt spaargeld niet – of   althans fors lager – belast. Fiscale partners kunnen op basis van de huidige lage spaarrente zelfs tot wel € 880.000 (!) belastingvrij sparen. Dat klinkt goed. Minder goed klinkt het verhaal voor beleggers. Voor hen wordt een rendement verondersteld van 5,33%. En dat vanaf de eerste euro. Een klein bedrag is dan wel vrijgesteld, maar nagenoeg het gehele bedrag aan beleggingen valt in de prijzen.

Een voorbeeld ter illustratie: in 2020 betaalt een belegger (alleenstaand) over een belegd vermogen (bijvoorbeeld aandelen) ter grootte van € 300.000 aan belasting € 2.880. Op basis van de voorstellen zou dat in 2022 € 5.145 zijn. Een nadeel van € 2.265 derhalve. Ingeval hetzelfde bedrag op de spaarrekening zou staan, bedraagt de heffing in 2020 € 2.880 en in 2022 nihil. Kortom, sparen loont. Althans, vanuit fiscaal oogpunt.

Een ander belangrijk nadeel van de voorgestelde werkwijze is dat aan schulden een negatief rendement zal worden toegekend, dat lager is dan het rendement op beleggen. In de huidige systematiek worden bezittingen en schulden eenvoudigweg gesaldeerd. In de nieuwe systematiek leidt een bedrag van €500.000 aan beleggingsvastgoed en hetzelfde bedrag aan (hypothecaire) schulden tot heffing van € 3.663, dit terwijl in de huidige systematiek de heffing nihil bedraagt.

Dit laatste raakt ook dga’s die van hun vennootschap lenen. Deze worden mogelijk al geraakt door het wetsvoorstel excessief lenen en worden nu ook nog eens extra gepakt door de aanstaande wijzigingen in box 3.

Kortom, werk aan de winkel. De komende periode hebben we hard nodig om met behulp van de juiste keuzes voor te sorteren op de nieuwe wetgeving. Daarom zou het zo prettig zijn als we tijdig weten waar we aan toe zijn. Zowel de adviespraktijk als het lijdend voorwerp zelf: de dga. Weet u trouwens hoe het boek van Eric Carle eindigt? De rups blijft eten, maar ontpopt zich aan het eind van het boek tot een prachtige vlinder. Daar zou dit kabinet een voorbeeld aan mogen nemen!

Joris Verhoof
Rupsje